[ vorige pagina ]

AO-reeks 1020 - 10 juli 1964

[ volgende pagina ]

Organisatorisch model in Utrecht

Aanvankelijk werkte men in Utrecht op dezelfde manier als in de IJmond.
Er werd 'n centrum gesticht en er werd een maatschappelijk werker aangesteld. De ontwikkeling ging hier echter veel verder dan in de IJmond, omdat de stroom van buitenlandse werknemers gevoed werd vanuit vele landen.
Eind maart 1964 waren er in Utrecht ruim 1600 buitenlanders werkzaam van allerlei nationaliteit: 300 Italianen, 440 Spanjaarden (waarvan 50 vrouwen), 745 Grieken (waarvan 10 vrouwen), 125 Turken en 10 Marokkanen.
Door de sterke groei van het aantal Grieken besloot men ook voor hen een apart centrum in te richten. Op deze manier kon ook deze belangrijke groep iets van de eigen sfeer terug vinden, wat hen kan helpen zich in de vreemde omgeving staande te houden. Bovendien kunnen zij hier hun problemen, hetzij over henzelf, hetzij over het gezin, aan iemand voorleggen die de eigen taal spreekt. Het vinden van mensen, die de desbetreffende taal spreken en bereid zijn iets te doen, blijft overigens een apart probleem.

Allerlei groeperingen
De aankomst van niet-katholieke arbeiders met hun opvattingen - uiteenlopend van orthodox tot vrijzinnig - noodzaakte daar tot een andere organisatorische aanpak. Er werd kontakt opgenomen met andere groeperingen. Op deze manier kwam een samenspraak op brede basis tot stand en er werd een stichting in het leven geroepen bestaande uit vertegenwoordigers van verschillende maatschappelijke en wereldbeschouwelijke instellingen.

Om de praktische aanpak zo efficiënt mogelijk te regelen zijn vier werkgroepen gevormd voor ieder van de vier belangrijkste nationaliteiten: Italianen, Spanjaarden. Grieken en Turken.

Helpen ... maar ook mééhelpen
Dit waren dus twee voorbeelden van een aanpak uitgaande van de gedachtengang dat de buitenlandse arbeiders geholpen moeten worden bij het aanpassingsproces. Hierbij wordt nu niet gestreefd naar assimilatie van de buitenlanders in ons land, maar vooral naar wederzijds begrip, om de problemen van beide kanten te benaderen en tot een oplossing te brengen.



Foto: Bij de opening van het tehuis in Utrecht. Op deze vermaken de arbeiders zich in hun tehuis. Grieken voeren nationale dansen op



Foto: 's Avonds wat kaarten: een ander vermaak in het tehuis

De ontwikkeling zoals die thans gaande is, rechtvaardigt de hoop dat de werkimmigranten zich snel zullen aanpassen. Bij dit alles dringt zich echter de klemmende vraag op of de werkimmigrant niet zelf moet worden ingeschakeld.
Tot nu toe is alles buiten hem om geregeld.
Alleen indien zij zelf aktief bij de werkzaamheden worden betrokken, zal men in staat zijn de beste informatie uit de groep te verkrijgen. Informatie die noodzakelijk en een voorwaarde is voor het welslagen van de activiteiten!

De eerder genoemde Peregrinus Stichting kan als voorbeeld genoemd worden van een meer eenvoudiger werkwijze. Men heeft in hoofdzaak te maken met een groot bedrijf dat duidelijke en positieve opvattingen heeft.
De situatie in Utrecht laat zien hoe bij ingewikkelder omstandigheden positief kan worden gewerkt.

De financiën
We hebben gesproken over het oprichten van organisaties, het bouwen en inrichten van centra en het aanstellen van functionarissen. Waar komen echter de middelen vandaan om een en ander te financieren?

Het Ministerie van Maatschappelijk Werk heeft een regeling getroffen voor de subsidiëring van de kosten verbonden aan de maatschappelijke begeleiding en de groepsactiviteiten ten behoeve van buitenlandse werknemers. De subsidie wordt verleend in de vorm van een bijdrage van 40% in de volgende uitgaven:

  • salaris maatschappelijk werker,
  • apparaatskosten,
  • kosten van groepsactiviteiten en
  • kosten van ruimtelijke voorzieningen t.b.v. de recreatie.

De overige 60% zal betaald moeten worden uit andere bronnen. In de eerste plaats komt hiervoor het bedrijfsleven in aanmerking. Daarnaast zou het echter ook redelijk zijn indien de gemeentebesturen in de totale kosten zouden bijdragen. Tot dusverre heeft alleen het gemeentebestuur van Utrecht besloten in de kosten bij te dragen en wel eveneens 40%. Het restant van 20% wordt dan gefourneerd door de Stichting of komt uit andere bronnen.

[ vorige pagina ]

[ omhoog ]

[ volgende pagina ]

Teksten en afbeeldingen op deze pagina's zijn ongewijzigd overgenomen uit AO-reeks 1020, 10 juli 1964