|
Op het ogenblik werken er in Nederland omstreeks 60.000 buitenlanders. Deze arbeiders vertegenwoordigen 90 nationaliteiten!
Natuurlijk zijn hierbij mensen die nauwelijks ,vreemd" zijn te noemen en in het geheel niet opvallen in ons maatschappelijk verkeer; zoals bijvoorbeeld de ruim 17.000 Belgen (de grootste groep), onder wie ook veel grensgangers zijn.
Maar ... er zijn ook vrij grote aantallen Spanjaarden, Grieken, Turken; arbeiders die wèl opvallen door hun andere gewoonten, hun andere manier van leven of hun maaltijden.
|
Vanzelfsprekend scheppen al deze buitenlandse arbeiders op het ogenblik nog geen al te grote problemen. Zij vormen nog slechts 1,3% van de totale beroepsbevolking. In Duitsland met 3,3%, of in Zwitserland met 28% (!) van de beroepsbevolking, liggen deze zaken nog heel anders.
En toch zijn hier en daar al wat wrijvingen in ons land geweest. Er deden zich al enkele - meestal kleine - moeilijkheden voor. Daarom is het verstandig over dit geheel eens na te denken.
Van hier naar elders
Eeuwenlang zijn mensen naar andere streken getrokken om daar de kost te vergaren of te verdienen. In prehistorische tijden was het zelfs
bittere noodzaak om op bepaalde tijden van woonplaats te veranderen, omdat jachtgronden of landbouwterreinen uitgeput raakten. Of dit de reden was van de verschillende grote volksverhuizingen, waarvan wij in de vroege geschiedenis vernemen - zoals de grote volksverhuizing die in de 5de eeuw van onze jaartelling plaatsvond - weten wij niet.
Maar met wat thans plaats heeft, vinden wij echter in de middeleeuwen reeds enkele historische parallellen. In de late middeleeuwen - als in Vlaanderen weinig werk te vinden is - wordt de wolwerkers voorgespiegeld dat zij in Engeland goed betaald werk kunnen vinden als zij het Kanaal oversteken. Engeland wilde het Vlaamse monopolie breken.
Een aantal jaren later kunnen Hollandse dijk- en waterwerkers in Frankrijk, Duitsland, Engeland en ook in Vlaanderen
|
(bijvoorbeeld aan de dijk bij Damme, zie AO 1000) beter betaald werk vinden dan in hun eigen land. En men ging, ondanks het feit dat men in de late middeleeuwen bepaald niet vriendelijk was voor vreemde arbeiders.
Als in onze Gouden Eeuw kunstenaars, bouwers, architecten en schilders uit Holland beroemd worden, gaan velen van hen - vaak de minder begaafden - naar de vreemde om daar fortuin te zoeken.
"Das steinreiche Holland"
In diezelfde tijd komen naar ons land vele vreemdelingen die hier, in het steenrijke Holland, werk hopen te vinden. In die tijd kan de V.O.C. matrozen en soldaten in bijna ongelimiteerde aantallen gebruiken. De wervingsbureaus van de kleine Duitse staten zoeken - in opdracht van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën - steeds soldaten die dienst moeten nemen in het Staatse leger. In de Tachtigjarige Oorlog hebben wij soldaten nodig. In diezelfde tijd komen uit Frankrijk refugees, uitgeweken terwille van hun godsdienst. Evenals toentertijd terwille van de gewetensvrijheid uit Antwerpen en het Vlaamse land veel kooplieden en goede handwerkers naar het noorden waren gevlucht; of de Portugese Joden van het Iberische schiereiland.
Dit beeld blijft de gehele 17de en 18de eeuw door hetzelfde. De metropool Amsterdam trekt en blijft trekken. Daar liggen het werk en het geld voor het oprapen ... zo denkt men, vooral op het platteland van het door de Dertigjarige Oorlog zo verarmde Duitsland.
Foto: Amsterdam in de 17de eeuw. De buitenlanders die dienst genomen hebben bij de V.O.C. worden met lichters naar de rede van Texel gevoerd
|